Door Jürgen Klute
„Het is de eerste grote breuk in de beschaving in het Europa van de 20e eeuw”, schrijft de Nederlandse historicus Christoph Driessen in zijn in 2018 verschenen boek „Geschichte Belgiens – Die gespaltene Nation” (De geschiedenis van België – De verdeelde natie). Deze zin is te vinden in het hoofdstuk over de inval van het Duitse leger in België in augustus 1914 (p. 152). Direct aan het begin van de Duitse inval vonden er meerdere bloedbaden plaats onder Belgische burgers in Oost- en Zuid-België, waarbij in totaal ongeveer 5500 burgers – waaronder vrouwen, kinderen en zuigelingen – het leven lieten. De bloedbaden vonden op verschillende locaties plaats. De pittoreske stad Dinant, gelegen aan de Maas, was het toneel van een van de grootste van deze bloedbaden. Daar werden in totaal 674 burgers door Duitse soldaten doodgeschoten.
Met de aanval op België had het Duitse Keizerrijk niet alleen de neutraliteit van België geschonden. Toen België zich in 1830 afscheidde van Nederland en onafhankelijk werd, hadden de toenmalige vijf Europese grootmachten Groot-Brittannië, Frankrijk, Oostenrijk, Pruisen en Rusland de onafhankelijkheid van België erkend op voorwaarde dat de nieuwe staat zich tot neutraliteit zou verbinden, om het pas op het Congres van Wenen van 1815 uitonderhandelde machtsevenwicht in Europa niet te verstoren. In ruil daarvoor hadden de genoemde vijf grootmachten zich tot garanten van de neutraliteit verklaard, dus ook Pruisen, schrijft Driessen in zijn boek (p. 106). Het door Pruisen gedomineerde keizerrijk had zijn westelijke buurland dus als een van de garantstellende mogendheden van de Belgische neutraliteit aangevallen.
Driesen legt in zijn beschrijving van de Duitse inval uit dat de keizerlijke troepen in augustus 1914 in België op onverwacht verzet stuitten en meer verliezen leden dan verwacht. Dit komt ook overeen met de informatie bij het monument in Dinant, het Mémorial 674 in de Jardins du CPAS aan de Avenue des Combattants. Op 15 augustus 1914 stuitte het 3e Saksische leger in Dinant op massale weerstand van Franse troepen en werd aanvankelijk teruggedrongen, zo staat daar te lezen. Er vonden zware artilleriegevechten plaats, waardoor ongeveer een derde van de gebouwen van Dinant werd verwoest. Op zondag 23 augustus 1914 volgden wraakacties van het Saksische leger. Saksische eenheden trokken door de straten van Dinant en grepen willekeurig burgers op. Ze zagen in hen „Franctireurs“, dat wil zeggen verzetsstrijders in burger, en voerden de hele dag op verschillende plaatsen in de stad executies van burgers uit.
Het monument en de vernietiging ervan door de Wehrmacht in 1942
Aan dit bloedbad in Dinant is een bijzonder verhaal verbonden, dat op 12 juni 2026 zijn afloop vond.
Op 23 augustus 1927 werd een monument onthuld ter nagedachtenis aan de moord op de 674 inwoners van Dinant. Het monument werd in opdracht gegeven door de vereniging „Le Souvenir Dinantais“.
Het werd opgericht aan de Mur Bourdon in de Rue Arthur Defoin 146. Op het monument was een bronzen plaat aangebracht die een scène toonde waarin Duitse soldaten op burgers schieten.
Toen België in 1940 opnieuw door Duitse troepen werd bezet, zag de nationaalsocialistische militaire autoriteit het monument als een storende herinnering. De archivaris van de stad Dinant, Michel Coleau, beschreef de daaropvolgende gebeurtenissen tegenover Belgique-info met de volgende woorden:
„Sinds de bezetting van de stad in mei 1940 eisten de Duitse militaire autoriteiten van het stadsbestuur dat de gedenktekens zouden worden afgebroken en de inscripties verwijderd die als oneervol voor de keizerlijke troepen werden beschouwd. De stad weigerde, en de Duitsers moesten hun toevlucht nemen tot lokale steenhouwers. Op 25 september 1942 werden de puinresten van het aan de Bourdon-muur opgerichte monument in de tuin opgeslagen, en de bronzen plaquette werd op bevel van de voor het district Dinant-Philippeville verantwoordelijke majoor naar Berlijn gebracht.”
Andere bronzen plaquettes die aan het bloedbad herinnerden, waaronder de „Incendiaire“, die aan een van de muren van de smederij Bouille in de wijk Saint-Roch was aangebracht, zouden volgens Comeau in 1942 naar Berlijn zijn gebracht om daar te worden omgesmolten. Een deel van de in 1940 en 1942 ontvreemde voorwerpen zou in 1963 naar Dinant zijn teruggebracht.

De overhandiging: ambassadeur Martin Kotthaus, prof. dr. Raphael Groß en burgemeester Richard Fournaux (v.l.); foto: J. Klute
De lange weg terug van Berlijn naar Dinant
Het reliëf maakte vervolgens verschillende stations door. In 1945 werd het opgeslagen in het toenmalige Duitse Legermuseum. Na de inname van Berlijn werd het ontdekt door Sovjet-troepen, die het overgaven aan de latere DDR. Tot de val van de Berlijnse Muur in 1989 maakte het reliëf deel uit van een museum in de DDR. Met de hereniging kwam het stuk in de Bondsrepubliek terecht en werd opgenomen in de collecties van het Deutsches Historisches Museum.
Het Berlijnse museum was echter niet op de hoogte van de herkomst van de gedenkplaat. Na historisch onderzoek, dat in opdracht van de directeur van het museum was uitgevoerd, werd in januari 2019 een verzoek gericht aan het gemeentebestuur van Dinant. Er kwam aanvankelijk echter geen reactie van het bestuur. Maar dankzij de volharding van de directeur van het cultureel centrum van Dinant, Marc Baeken, en zijn documentarist werd uiteindelijk toch een proces in gang gezet dat leidde tot de teruggave van het reliëf aan de stad Dinant, wat door de Duitse kant werd gewenst als teken van vriendschap.
De teruggave vond plaats op 12 juni 2026 door de Duitse ambassadeur in België, Martin Kotthaus, tijdens een plechtige ceremonie. Eerst ontmoette de ambassadeur familieleden van degenen die in 1914 door de Saksische troepen bij de Bourdon-muur waren vermoord. Na een gesprek met de families legden de ambassadeur en de families kransen neer voor het huidige monument, dat in 1947 door het Comité du Monument aux Martyrs rivageois met steun van de vereniging „Les XXI“ op slechts enkele stappen van de oorspronkelijke locatie bij de rots van Bayard opnieuw werd opgericht.
De daadwerkelijke teruggave van het reliëf vond plaats bij het Mémorial 674 in de Jardins du CPAS. De teruggaveceremonie werd geopend door de burgemeester van Dinant, Richard Fournaux. In zijn toespraak benadrukte hij het belang van de teruggave van het reliëf, nadat het decennialang in de archieven van verschillende Duitse musea was verdwenen: “Dinant: sinds de bloedbaden en de verwoesting van de stad op 23 augustus 1914 hebben de inwoners van Dinant moeite gehad om veerkracht te tonen en de banden met het Duitse volk te herstellen … terwijl we allemaal Europeanen waren geworden. In mei 2001 hebben we samen de verzoening gevierd. Sindsdien zijn de contacten toegenomen. De teruggave van het bronzen reliëf vormt een nieuwe, uiterst symbolische en plechtige stap, die getuigt van de intensiteit van onze door respect gekenmerkte relaties, in onze gemeenschappelijke geschiedenis en in onze wil om samen projecten te realiseren ten dienste van het algemeen belang.”
Michel Coleau, de hierboven reeds geciteerde stadsarchivaris van Dinant, herinnerde vervolgens in zijn toespraak aan de gebeurtenissen in augustus 1914 en de verdere geschiedenis.
De Duitse ambassadeur Martin Kotthaus bracht opnieuw het spijtbetuiging van de Duitse kant over deze oorlogsmisdaden tot uitdrukking met de volgende woorden: “Meer dan 670 inwoners van Dinant werden in 1914 door Duitse soldaten gedood. De wonden van het bloedbad doen tot op de dag van vandaag pijn. Ze zijn niet vergeten en zullen niet worden vergeten. Sinds het verzoek om vergeving door de Duitse staatssecretaris Kolbow in Dinant in 2001 herdenken we dit elk jaar samen als vrienden van de slachtoffers. De gelukkige terugkeer van het bronzen reliëf, dat sinds 1927 aan het bloedbad herinnerde, meer dan 80 jaar na de vernietiging van het oorspronkelijke monument door de nazi’s, vult een leemte in de verzoening tussen Dinant, België en Duitsland. Juist nu we weer haat en geweld zien in het oosten van ons continent, moeten we ons er altijd van bewust zijn dat vrede en verzoening mogelijk zijn, maar niet vanzelfsprekend. Ieder van ons kan hieraan bijdragen. Elke dag. Ik ben als Duitse ambassadeur bij het Koninkrijk België de mensen in Dinant zeer dankbaar voor de uitgestoken hand en vriendschap van de afgelopen decennia en ben erg blij dat het bronzen reliëf op 12 juni 2026 naar huis komt. Mijn dank gaat ook uit naar het Deutsches Historisches Museum, dat het reliëf heeft gevonden en teruggebracht.”
Raphael Groß, voorzitter van de stichting van het Duits Historisch Museum in Berlijn, gaf in zijn toespraak in enkele woorden nogmaals een overzicht van de geschiedenis van de identificatie van het bronzen reliëf tot aan de dag van de teruggave en legde uit: “Dankzij intensief onderzoek in onze collectie kon het Deutsches Historisches Museum de geschiedenis van de herkomst van het bronzen reliëf tot in detail reconstrueren en contact opnemen met de rechtmatige eigenaren in België. Het is voor het Duitse Museum voor Geschiedenis van groot belang dat het werk nu, na bijna 100 jaar, terugkeert naar zijn oorspronkelijke locatie in Dinant. Des te meer verheug ik mij erop om vandaag bij de herdenkingsceremonie in Dinant aanwezig te zijn.”
Aangezien de troepen die verantwoordelijk waren voor het bloedbad in Dinant uit Saksen kwamen, sprak ook de eveneens uit Saksen afkomstige huidige Europarlementariër Oliver Schenk tijdens deze ceremonie. Hij herinnerde eraan dat „de Europese eenwording is voortgekomen uit de ervaringen van oorlog, leed en verwoesting. Plaatsen als Dinant herinneren ons eraan“, zo vervolgde Schenk, „waarom vrede, verstandhouding en samenwerking in Europa nooit vanzelfsprekend zijn.“
Tot slot kwam de jongere generatie aan het woord. Drie scholieren spraken in het Duits en Frans over hun ervaringen met de huidige samenwerking tussen de Europese staten in het kader van de Europese Unie.
De teruggave van het reliëf vond niet toevallig plaats op 12 juni 2026. Deze dag is de 25e verjaardag van de bovengenoemde officiële Duitse verontschuldiging aan de stad Dinant en de families van de slachtoffers van het bloedbad van 23 augustus 1914. De verontschuldiging werd in juni 2001 in Dinant uitgesproken door de toenmalige staatssecretaris bij het Duitse ministerie van Defensie, Walter Kolbow. Op de Pont Charles-de-Gaulles, die de twee stadsdelen van Dinant links en rechts van de Maas met elkaar verbindt, eert de stad haar waarschijnlijk beroemdste zoon, Adolphe Sax (1814-1894), de uitvinder van de saxofoon. Ter nagedachtenis aan hem staan op de brug een aantal oversized replica’s van het door hem ontwikkelde muziekinstrument, elk in de kleuren van een ander land – voornamelijk Europese landen. Een saxofoon in de kleuren van de Duitse vlag ontbrak tot 2001 vanwege het bloedbad aan het begin van de Eerste Wereldoorlog. Na deze officiële verontschuldiging is er nu ook een saxofoon in de kleuren van de Duitse vlag te zien op de Maasbrug in Dinant, als teken van verzoening.
Met de teruggave van het originele reliëf uit 1927, zo zei de voormalige Belgische ambassadeur in Berlijn (2011-2014), Renier Nijskens, die in Dinant geboren is en eveneens aan de ceremonie deelnam, tegenover Belgieninfo, is met de teruggave van het originele reliëf uit 1927 en de reeds in 2001 uitgesproken verontschuldiging en erkenning van de verantwoordelijkheid voor het bloedbad van 1914 door Duitsland dit vreselijke hoofdstuk in de Duits-Belgische geschiedenis eindelijk afgesloten.
De gemeenteraad van Dinant moet nog beslissen over de nieuwe locatie voor het teruggegeven bronzen reliëf. “In 2027 viert Dinant de 100e verjaardag van de inwijding van het in augustus 1927 geopende herdenkingspad”, verklaarde Marc Baeken, directeur van het Centre Culturel van Dinant. Volgens Baeken zou dit een gelegenheid kunnen zijn om de betreffende gedenkplaat de nodige eer te bewijzen en er een passende locatie voor te vinden.
Titelbeeld: Jürgen Klute
Ook een blog brengt kosten met zich mee ...
791






Leave A Comment