Door Jürgen Klute

Op 10 augustus heeft het Turkse parlement een wet aangenomen die een einde moet maken aan het gewapende conflict tussen de Turkse staat en de PKK.

Al op 27 februari 2025 had Abdullah Öcalan, een van de medeoprichters van de in 1978 in Turkije opgerichte PKK (Partiya Karkerên Kurdistan = Arbeiderspartij van Koerdistan), opgeroepen tot de ontbinding van de organisatie, waarna de PKK in mei 2025 besloot haar organisatie op te heffen en een einde te maken aan haar gewapende strategie, en dit ook bekendmaakte.

Dit is niet de eerste poging om een vredesproces op gang te brengen tussen de Koerden in Turkije en de Turkse staat. De laatste poging, die in 2013 van start ging, eindigde twee jaar later in een bloedbad. De vraag is dan ook of deze nieuwe poging zal leiden tot een duurzaam vredesproces om een einde te maken aan dit gewapende conflict, dat al sinds 1984 voortduurt en aan beide kanten in totaal meer dan 40.000 doden heeft geëist.

Met deze wet is er echter voor het eerst een wettelijk kader voor een vredesproces in Turkije.

Op 6 augustus 2026 publiceerde het Koerdisch Centrum voor Public Relations e.V. (Civaka Azad) in Berlijn een persbericht waarin staat dat vertegenwoordigers van de Koerdische vrijheidsbeweging, de DEM-partij (Halkların Eşitlik ve Demokrasi Partisi = Partij voor Emancipatie en Democratie van de Volkeren) en andere democratische krachten in Turkije met voorzichtig optimisme hebben gereageerd op het wetsontwerp dat op 10 augustus door het Turkse parlement is aangenomen.

Volgens het persbericht staan de ontwapening van de PKK, de afhandeling van lopende onderzoeks- en strafrechtelijke procedures, en de institutionele uitvoering en parlementaire begeleiding van het proces centraal in de uit twaalf artikelen bestaande „Wet ter versterking van de nationale solidariteit en de maatschappelijke samenhang“ – zoals de wet luidt. Volgens het persbericht zullen lopende onderzoeks- en gerechtelijke procedures, evenals de tenuitvoerlegging van al rechtsgeldig opgelegde vrijheidsstraffen, voor vijf respectievelijk tien jaar worden opgeschort, afhankelijk van de duur van de betreffende strafmaat of de opgelegde straf. Indien er binnen deze periode geen nieuwe strafbare feiten worden gepleegd, zullen de procedures worden beëindigd of zullen de straffen worden beschouwd als ten uitvoer gelegd.

Volgens het persbericht van Civaka Azad zijn opzettelijke moordzaken echter van deze regeling uitgesloten. Dit geldt, zo wordt verder vermeld, eveneens voor bepaalde strafbare feiten die vóór 1 juni 2005 zijn gepleegd en waarop levenslange of verzwaarde levenslange gevangenisstraf staat. Daarmee valt de medeoprichter van de PKK, Abdullah Öcalan, niet onder deze amnestieregelingen en zal hij daarom in de gevangenis blijven. Een algemene voorwaardelijke vrijlating van leden of sympathisanten van de beweging is volgens Civaka Azad daarentegen niet voorzien in het wetsontwerp.

Al kort voor de bekendmaking van het wetsontwerp, zo meldt Civaka Azad, verklaarde Abdullah Öcalan, die sinds 1999 op het Turkse gevangeniseiland İmralı vastzit, na een ontmoeting met de zogenaamde İmralı-delegatie van de DEM-partij: „Met deze wet zetten we de eerste stap om een historisch probleem op te lossen. We staan aan het begin van een democratiseringsproces dat minstens even belangrijk zal zijn als de oprichting van de republiek.”

Öcalan ziet in de wet de sleutel tot het verdere verloop van het proces. Tegelijkertijd benadrukte hij dat nog niet alle kwesties zijn opgelost en dat het succes afhangt van de vraag of de verschillende maatschappelijke krachten verantwoordelijkheid voor het proces op zich nemen. Zijn volledige boodschap is door de DEM-partij gepubliceerd.

Duran Kalkan, net als Öcalan een van de oprichters van de ontbonden PKK, verklaarde volgens Civaka Azad al half juli dat de beweging met betrekking tot de fundamentele kwesties van haar strijd niet alleen op de staat vertrouwt: „We hebben alles bereikt door de strijd, door de kracht van het volk en door de wil van de samenleving. Wij geloven dat, als het proces maatschappelijk verankerd raakt en ook de maatschappelijke krachten die zich inzetten voor vrede en democratie zich het proces eigen maken, uit een kleine opening een grote ontwikkeling kan ontstaan.”

Zoals verder in het persbericht staat, verklaarde ook de Koerdische vrouwenbeweging TJA (Tevgera Jinên Azad = Beweging van Vrije Vrouwen) dat de wet ook vanuit hun oogpunt geen eindpunt vormt, maar het begin van een nieuwe fase moet markeren. TJA-activiste Ayla Akat verklaarde: „Als TJA zullen we noch afstappen van onze strijd voor de vrijheid van vrouwen, noch van onze eis voor de fysieke vrijheid van Abdullah Öcalan of een vredesakkoord waarin vrouwen een constituerende rol spelen.”

De vrouwenbeweging eiste verder een gelijkwaardige deelname van vrouwen aan alle politieke besluitvormings- en onderhandelingsprocessen, zo staat aanvullend in het persbericht. Bovendien moeten de rol van Abdullah Öcalan in het vredesproces, zijn vrije arbeids- en communicatieomstandigheden en zijn fysieke vrijheid wettelijk worden gewaarborgd.

Volgens Civaka Azad riep de DEM-partij op tot een verdere democratisering. Tuncer Bakırhan, medevoorzitter van de partij, plaatste het debat over de kaderwet in de context van de ingrijpende politieke omwentelingen in het Midden-Oosten en verklaarde: „De kaderwet is geen wet die privileges toekent. Ze biedt voor het eerst een wettelijk kader voor de oplossing van een historisch probleem dat al meer dan honderd jaar wordt ontkend. Ze opent de deur naar vrede.“

Ook Bakırhan benadrukte dat de wet slechts het begin kan vormen van een uitgebreider democratiseringsproces. Na het parlementaire zomerreces moeten er verdere hervormingen volgen. Daaronder vallen volgens hem het versterken van de democratische participatie, het waarborgen van taalkundige, culturele en religieuze rechten, de uitbreiding van de lokale democratie en een einde aan het staatsbestuur van gekozen gemeenten.

Met de wet zouden tegelijkertijd de voorwaarden moeten worden geschapen voor de terugkeer van mensen die al jaren in ballingschap leven of zich in de bergen bevinden. Ook politieke gevangenen zouden kunnen profiteren van de beoogde opschorting van de procedures en de strafuitvoering, zo staat verder in het persbericht.

Dersim Dağdeviren, bestuurslid van de EUTCC (EU Turkey Civic Commission = EU-Turkije-Burgercommissie), die in 2004 werd opgericht met als doel het toetredingsproces van Turkije tot de EU te begeleiden, met de nadruk op een diplomatieke oplossing voor het Koerdisch-Turkse conflict, en die sindsdien jaarlijks conferenties hierover organiseert in het Europees Parlement in Brussel, sprak zich tegenover EuropaBlog eveneens uit over het nieuwe vredesproces. Zij ziet hierin „een reële kans, hoewel er geen garanties zijn“, zoals zij zei. Hiervoor is echter een consequente voortzetting en een juridische en democratische onderbouwing nodig.

Een wezenlijk verschil met het proces van 2013 tot 2015 zou volgens haar liggen in de betrokkenheid van het parlement, enerzijds via de commissie die was opgericht, anderzijds via de kaderwet. De commissie heeft maatschappelijke en politieke actoren gehoord, legt Dağdeviren verder uit, en een delegatie van deze commissie heeft Abdullah Öcalan op İmralı bezocht. Dit was het eerste bezoek aan Öcalan door een parlementaire commissie, afgezien van eerdere bezoeken door leden van de DEM-partij. Er heeft dus een zekere institutionalisering plaatsgevonden. Voorheen was er noch deze parlementaire betrokkenheid, noch enig wettelijk kader, wat destijds een van de belangrijkste zwakke punten van het toenmalige proces was.

Dağdeviren ziet nog een ander belangrijk verschil in het feit dat er van Koerdische kant – in overeenstemming met de oproep van Abdullah Öcalan van 27 februari 2025 – ingrijpende stappen zijn gezet die hun vastberadenheid aantoonden: de beëindiging van de gewapende strijd en de ontbinding van de PKK. Ook in 1999 had de PKK zich, in navolging van de oproep van Abdullah Öcalan, teruggetrokken uit het Turkse grondgebied. Maar de ontwikkelingen reikten niet tot de definitieve beëindiging van de gewapende strijd. Nu is er een belangrijke mijlpaal bereikt voor de transformatie van het conflict van het militaire naar het politieke en juridische vlak. Deze vanuit haar perspectief relevante verschillen mogen niet worden onderschat.

Tegenwoordig zou er bovendien een sterkere koppeling bestaan tussen vrede en democratie. Zo bestempelde Abdullah Öcalan het proces als een proces voor vrede en een democratische samenleving. Het gaat dus niet alleen om het beëindigen van de gewapende strijd, maar om het oplossen van de fundamentele politieke kwestie, althans voor de Koerdische kant. De repressie tegen de CHP en de Yeni Parti toonde aan, zo vervolgde Dağdeviren, hoe belangrijk het is om vrede en democratie in één adem te noemen. Dat is het begin van de eigenlijk moeilijke fase.

Dağdeviren wijst evenwel op kritische aspecten van het nieuwe vredesproces: „De wet voldoet bij lange na niet aan de Koerdische verwachtingen. Toch zou ik het als een essentiële eerste stap beschouwen. De wet is in wezen een wet om de ontwapening en ontbinding van de PKK juridisch te waarborgen en om de strafrechtelijke gevolgen voor een deel van de betrokkenen te regelen. Het is geen vredeswet en al helemaal geen democratiseringswet. Daarvoor is een democratische transformatie nodig en de naleving van universele mensenrechtennormen. Ook de bewoordingen van de wet laten zien welke benadering de staat hanteert. In de eerste twee artikelen wordt gesproken over PKK-/KCK-terrorisme. Toch blijft de kaderwet een belangrijke eerste stap. Er moeten nu verdere stappen volgen die de democratisering centraal stellen.“

Dağdeviren beschouwt het als een stap vooruit dat er voor het eerst een wettelijk kader is voor de beëindiging van het gewapende conflict. Dit gaat verder dan intentieverklaringen. Ook de brede parlementaire steun is belangrijk. Maar dat betekent niet dat er consensus bestaat over de politieke oplossing van de Koerdische kwestie, noch in het parlement, laat staan in de samenleving”, verduidelijkt ze.

Volgens Dağdeviren is de wet nog te sterk geschreven vanuit het perspectief van de „terrorismebestrijding“ en niet met het oog op een politieke oplossing voor de Koerdische kwestie. „De essentiële vraag, hoe het na de ontwapening verdergaat, wordt buiten beschouwing gelaten“, legt ze uit. „Het garandeert geen politieke participatie en heft de beperkingen op de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering niet op. De gemeenten staan nog steeds onder gedwongen beheer. Osman Kavala, Selahattin Demirtaş en anderen zitten ondanks uitspraken van het EHRM (Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg) nog steeds vast. De rechten – zowel politiek als cultureel – zijn niet gewaarborgd.” Daarom is de wet volgens haar onvoldoende voor een duurzaam vredesproces. Problematisch is bovendien dat de beslissing over de uitvoering in aanzienlijke mate bij overheidsinstellingen blijft liggen. Er zijn veeleer onafhankelijke organen nodig.

Dağdeviren beschouwt de situatie van Abdullah Öcalan als een belangrijk zwak punt van de nieuwe wet. Als centrale speler wordt met zijn rol geen rekening gehouden. Zij ziet daarin weliswaar geen breekpunt, maar wel een centrale open vraag. Dağdeviren letterlijk: „Öcalan heeft zelf herhaaldelijk duidelijk gemaakt dat voor hem de doorslaggevende vraag niet zijn persoonlijke situatie is, maar of het proces voor vrede en een democratische samenleving vooruitgang boekt. Dat betekent niet dat zijn juridische situatie irrelevant is. Als de staat verwachtingen van hem heeft met betrekking tot het proces, moet deze ook de voorwaarden scheppen waaronder hij deze rol daadwerkelijk kan vervullen.”

„De kaderwet is gepubliceerd in de Resmî Gazete en is daarmee van kracht”, voegt Dağdeviren toe. Het is nu van cruciaal belang welke verdere wetten er volgen. Volgens haar zijn verdere wetten absoluut noodzakelijk. Bovendien moeten bestaande wetten ook worden uitgevoerd, evenals de uitspraken van het EHRM, met name het recht op hoop[*]. De afschaffing van de antiterrorismewetgeving is essentieel. Het parlement heeft voor het eerst verantwoordelijkheid genomen voor een vredesproces. Daardoor hangt het proces niet meer uitsluitend af van Erdoğan. Het parlement zou deze verantwoordelijkheid ook in de toekomst moeten blijven nemen.

Tegelijkertijd benadrukt Dağdeviren dat een formeel proces op zich niet voldoende is voor duurzame vrede. Er is veeleer behoefte aan een maatschappelijke verankering van het proces. De gehele Turkse samenleving moet het proces dragen. Dit is de allerbelangrijkste stap. Parlementaire controle is belangrijk, maar dat geldt evenzeer voor transparantie, democratisering en meer ruimte voor het maatschappelijk middenveld, mensenrechtenorganisaties en met name vrouwenorganisaties. Het doel mag niet alleen een „terrorismevrij Turkije“ zijn. „Het doel moet een Turkije zijn waarin alle bevolkingsgroepen op voet van gelijkheid en in vrijheid met elkaar kunnen leven“, benadrukt Dağdeviren. „We hebben vandaag voor het eerst de kans om van een dialoog een geïnstitutionaliseerd vredes- en democratiseringsproces te maken – maar deze kans is nog niet de vrede zelf.“

Afgezien van de verbetering van de humanitaire situatie van de mensen in de conflictgebieden door een diplomatiek-politieke oplossing van het conflict tussen de Koerden en de Turkse staat, is de beëindiging van dit conflict ook vanuit het oogpunt van de Europese Unie en vanuit geostrategisch en geo-economisch perspectief wenselijk, omdat het een belangrijke bijdrage levert aan de stabilisatie van de politieke situatie in het Midden-Oosten.

[*] Het recht op hoop is een rechtsbeginsel. Het EHRM heeft in de zaak „Turkey vs Gurban“ in 2014 geoordeeld dat ook mensen die tot levenslange gevangenisstraf zijn veroordeeld, een kans op vrijlating moeten hebben. Turkije wordt opgeroepen dit arrest ten uitvoer te leggen. Dit stond voor het laatst in 2025 op de agenda van het Comité van Ministers van de Raad van Europa. Aan Turkije is een termijn tot juni 2026 gesteld om de nodige maatregelen te nemen voor het opstellen van de wettelijke regelingen.

Titelbeeld: Kurdish PKK Guerillas Kurdishstruggle CC BY 2.0 DEED via FlickR

Ook een blog brengt kosten met zich mee ...

… Als Europa.blog u bevalt, kunt u ons ook financieel steunen. Het runnen van een blog brengt namelijk kosten met zich mee voor onderzoek, vertalingen, technische apparatuur, enz. Hier kunt u ons eenvoudig met een klein eenmalig bedrag steunen:

457